Saarlooswolfhond
Herkomst:
Van origine een Nederlands fokproduct. Natuurliefhebber Leendert Saarloos (1884–1969) had een afkeer van zijns inziens 'gedegenereerde' rassen en van het verloren gaan van natuurlijke eigenschappen als gevolg van domesticatie. Hij besloot de Duitse Herder te gaan verbeteren, met als doel het fokken van de ideale huis- en politiehond. Door het inkruisen van de wolf dacht hij zijn ideaal te kunnen verwezenlijken. Na jarenlange intensieve fokkerij moest hij inzien dat met name de eigenschappen van de wolf hem parten speelden. Gereserveerdheid en afwezigheid van aanvalsdrift, dominant overheerst door vluchtdrift, maakten deze kruisingen ongeschikt voor africhtingstaken. Begin jaren vijftig had Saarloos met zijn als Europese Wolfhond aangeduide fokproducten enig succes omdat vele geschikt bleken als blindengeleidehond. Maar het steeds drukker wordende verkeer was er de oorzaak dat ze daarvoor minder goed gingen voldoen. Begin jaren zeventig werd het opleiden van deze honden tot blindengeleidehond gestaakt.
Aard/Temperament & Gebruik:
De SWH, niet gefokt voor een specifiek gebruik, heeft die eigenschappen in zich, die hem zich doen gedragen als een trouwe en betrouwbare gezelschapshond of huishond. • Hij is een zeer levendige hond overstromend van energie, die een trots en onafhankelijk karakter heeft. • Hij gehoorzaamt uit eigen vrije wil en is niet slaafs. • Geen aanvalsdrift, attent, lief, vriendelijk en intelligent. • Hij is zeer aanhankelijk aan zijn baas en hoogst betrouwbaar. • Moedig doch ongeschikt voor bewaking en specifieke africhting. • De Saarlooswolfhond blaft weinig. • Leeft graag met andere honden in een roedel. • Ideale kameraad voor ieder die natuurlijk gedrag weet te waarderen en de hond altijd naast zich duldt. • De meerderheid van de teven wordt maar eenmaal per jaar loops. • Gereserveerd naar vreemden, terughoudend naar alles wat onbekend is. Het natuurlijke vluchtgedrag moet niet worden verward met angst. • Deze gereserveerdheid en zijn vluchtdrift voor hem onbekende situaties zijn kenmerkend voor de SWH en dienen behouden te blijven als rastypische eigenschappen. • De benadering van de SWH door vreemden vraagt enige kennis van en inzicht in het gedrag van deze hond, die gereserveerdheid en vluchtdrift als eigenschappen in zich draagt. Een geforceerde, door de SWH niet gewenste benadering door een vreemde, kan er toe leiden, dat de vluchtdrift gaat overheersen.
Rasstandaard:
Algemene verschijning: De Saarloos Wolfhond is een krachtige wolfachtige, stokharige hond met een schofthoogte die bij de reu 65 tot 75 cm en bij de teef 60 tot 70 cm. mag bedragen. Het ovale bot is krachtig, doch mag niet grof zijn. Hij is harmonisch gebouwd en heeft lange benen, zonder de indruk te wekken van hoogbenigheid. Reuen en teven hebben een duidelijk verschil in verschijning en allure. De Saarloos Wolfhond hoort een beeld te geven van een oplettende voorzichtige en aanhankelijke hond, die zich gereserveerd gedraagt t.a.v. hem vreemde personen en omstandigheden, echter zonder vertoon van nervositeit. Tot de kenmerkende karaktereigenschappen van het ras behoort een onafhankelijkheid van optreden, die de Saarloos Wolfhond bij uitstek geschikt maakt tot het fungeren als geleidehond. Hoofd: Het moet een wolfachtige indruk maken en in grootte harmonieren met het lichaam. De schedel is breed en vlak met een lichte welving tussen de oren en verloopt geleidelijk wigvormig naar de ogen. Ook de zijkanten zijn vlak, zonder vertoon van bakken. De achterhoofdsknobbel mag niet opvallen. De overgang naar de krachtige goed gevulde voorsnuit bestaat uit een lichte stop. De afstand van neuspunt tot stop is nagenoeg gelijk aan die van stop tot achterhoofdknobbel. De voorsnuit mag niet te spits zijn. De neus is breed en stevig en naar gelang de kleur van de vacht zwart of leverkleurig. De lippen zijn goed gesloten en hangen niet over. De Saarloos Wolfhond heeft een krachtig volledig schaargebit. Ogen: Deze zijn middelgroot, amandelvormig, enigszins schuin geplaatst en bij voorkeur geel van kleur. De uitdrukking is oplettend en tevens gereserveerd, doch niet angstig. Oren: De staande oren zijn middelmatig groot en lopen vanuit een brede basis enigszins spits toe. Ze zijn vlezig, aan de binnenzijde goed behaard en enigszins schuin geplaatst. Hals: Deze is droog, gespierd en gaat geleidelijk over in de romp. Romp: De lengte is iets meer dan de schouderhoogte. De rug is recht en sterk, de lendenen krachtig gespierd en het normaal hellend kruis is niet te smal. De borstkas is breed met goed gewelfde ribben en niet dieper dan tot aan de ellebogen. Staart: Deze is vrij laag aangezet, wordt in rust sabelvormig gedragen en toont geen grote beweeglijkheid. In actie en bij imponeergedrag kan de Saarloos Wolfhond de staart omhoog dragen. Schouderbladen: Lang, schuin geplaatst en goed aanliggend. De voorhand is goed gehoekt met rechte benen en veerkrachtige middenvoet. Een geringe buitenwaartse stand is toegestaan. Achterhand: Normaal gehoekt en krachtig gepierd. Lichte koehakkigheid is toegestaan. Voeten: Deze zijn enigszins ovaal, goed gesloten, met licht gebogen tenen en stevige veerkrachtige kussens. Gangwerk: Licht, ruim en soepel, doch voorzichtig, waardoor een snelle tempoverandering mogelijk is. Het gangwerk is zeer typisch en doet aan dat van de wolf denken. Beharing: Deze is stokharig met een zeer dichte wollige ondervacht en stevige dekharen, die langs de hals een duidelijke kraag vormen. Kleur: De voorkomende kleuren zijn van licht tot donker geschakeerd zwart-wildkleurig, (zgn wolfsgrauw), van licht tot donker geschakeerd bruin-wildkleurig (zgn. Bosbruin) en zeer licht creme tot wit. Andere kleuren zijn niet toegestaan. Bij de wolfsgrauwe honden dient de neus zwart te zijn, bij de bosbruine leverkleurig, en bij de witte bij voorkeur zwart, alhoewel een vleeskleur bij deze exemplaren geoorloofd is. Fouten: Slappe oren en een stijve krul in de staart worden als ernstige fouten aangemerkt
Home